5 september 2011

Die zou je moeten laten analyseren.

Waarom mijn vader en zus er zijn weet ik ook niet. Zij lijken het weinig problematisch te vinden dat we in het huis zijn van de naarste jongen. Hij is veranderd, zie ik uit mijn ooghoeken. Ik loop stuurs voor hem uit, naar hoeken van het huis. Er moet een film gekeken worden. Tijd verstrijkt. Ik zit in een hoek van het bed. Hij heeft zijn benen diagonaal langs mij heen gedrapeerd. Hij heeft dezelfde grijze schoenen als ik. Die schoenen zijn te onschuldig, die mag je niet aan doen als je zo verdorven bent als hij. Waarom zit hij zo dichtbij? Ik maak huilerige geluiden terwijl ik probeer verder van hem vandaan te zitten, maar ik moet niet van het bed vallen. Mijn vader en zusje vermaken zich. Ik zie dat zijn haar alleen nog uit plukken zwart en wit bestaat. En dan wordt mijn blik als een magneet naar hem toegetrokken. Ik voel hoe gretig mijn nieuwsgierigheid wordt bevredigd. Ik kijk hem lang aan, en hij mij. Hij lacht toegeeflijk. Ik ben heel erg in de war, ik wil geen onderonsje met hem, dat heb ik nooit gewild, en nu heb ik het toch. Wat is hij dun geworden. 'Wat ben je tiny!' zeg ik vertederd. Ik walg van mijn eigen emoties. Hij lacht naar me en zijn brede tanden steken geel af tegen zijn haar. Ik herken iets van vroeger in die tanden. Zijn verschijning lijkt volkomen nieuw, een kostuum van onschuld. Maar zijn grauwe gezicht jaagt me zoveel angst aan dat ik niets meer zeg en niet meer beweeg. Nu kijkt hij naar mij met zo'n onderzoekende blik, en ik zie mezelf. Hoe oud mijn gezicht is geworden. 'Je bent zo... krullerig', zegt hij, en ik schaam me voor mijn oude, gegroefde gezicht. Mijn haar, ik heb er al een tijd niets meer aan gedaan.
Ik vlucht naar een ander vertrek in zijn huis. Er staan onafgewerkte houten schappenkasten in. Ik heb er een heel klein ladenkastje in staan, zo eentje waar je zaadjes in bewaart. Bij mij zitten er zwarte muizen in. In het ene laatje zitten twee kleintjes. In het laatje ernaast twee middelgrote. Daarnaast twee grote. Ik maak me zorgen over hun welzijn.
Dan blijken de middelste muizen te stikken. Ze zitten in een gekreukeld plastic zakje, dat heftig met ze meebeweegt. Aan de binnenkant zitten druppeltjes van hun adem. Piepend en hijgend bijten ze in het plastic, om vrij te komen. Ik wil ze helpen, maar raak in paniek van hun agressieve bewegingen. Ik ben bang dat ze me zullen bijten. Ik ben bang dat ze me zo ver zullen bijten dat ik met mijn vingers diep in hun lijf zal zitten en hun bebloede ingewanden zal voelen.
Ze scheuren het plastic open en twee zwarte hoofden werken zich naar buiten. Alle muizen vluchten nu naar beneden en rennen over de grond.
Ze gaan de trap af. Ze gaan naar de kamer met het bed met mijn vader en mijn zus en de jongen die ik nooit meer wilde zien. Ik gil herhaaldelijk. Het lijkt niets uit te maken. Ik gil harder en mijn stem klinkt lager. Overal om me heen rennen zwarte muizen en ik daal verder af naar de gang, waar het steeds donkerder wordt.

De enorme muis komt pas als ik wakker ben. Hij is groter dan ik en ik ben te moe om te bedenken wat ik ook alweer moet doen tegen mensgrote zwarte muizen. Het is vijf uur 's nachts en ik heb nog steeds geen baan en ik heb nog steeds mijn boekjes niet af en ik heb nog steeds geen presentatie en ik heb nog steeds geen plan.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Related Posts Plugin for WordPress, Blogger...