De kelders waren onder elkaar gestapeld, als uitgeholde kubussen, dikke bakstenen wanden met zwarte gapende gaten, en aflopende wegen en doorgangen. Sander en ik waren er midden in de nacht, ik weet niet waarom. Het leek een soort parkeergarage en we hadden er duidelijk iets te zoeken dat we niet vonden. Vervelend was ook dat de kelders kennelijk onder constructie waren; overal lagen brokstukken, sommige wanden waren opgebouwd uit enkel geraamtes van houten latten, en hier en daar stonden chagrijnige bouwvakkers hun werk te doen.
Ergens diep in de donkere vertrekken gingen we maar zitten, met een clubje, op houten banken, zoals die er vroeger in de gymzaal stonden en waarvan ik altijd alleen maar deed alsof ik meehielp met optillen.
Ik praatte met Misha, en vroeg me af waarom ik me zo naar voelde. Toen pas besefte ik dat er heel naargeestige klassieke muziek op stond, de bouwvakkers hadden hem ook te hard gezet. Ik liet Sander vragen of ze daarmee op wilden houden.
Meteen daarna schalde door de nachtelijke kelder, heel hard, het allerengste stuk muziek dat ik ooit heb gehoord. (Ook in wakkere toestand raak ik finaal van streek van dit stuk, en ik kan de ernst hiervan maar moeilijk onder woorden brengen.)
De muziek stond zo hard, en de kelders waren zo diep en donker, en ik was zo bang, dat ik niets anders meer kon dan alleen maar heel hard gillen. Ik zag de muren van heel dichtbij, en ervoer de angst op een hele andere manier dan ik normaal doe. Normaliter verstijf ik, dit vol overgave toegeven aan mijn angst door te schreeuwen voelde bijna bevrijdend.
Sander keerde kwaad terug naar de bouwvakkers, om ze te manen op te houden met mij bang maken. Intussen vluchtten Misha en ik de kelders uit. Toen ik boven was, zag ik dat Sander nog bij de bouwvakkers was, en dat ze ruzie hadden gekregen. En onder de luide muziek zag ik hoe één van de werklui als een daad van provocatie met een maai van zijn arm het houten geraamte onder het plafond weg zwaaide.
Het regende stenen en ik wist dat ze Sander ermee zouden vermoorden. Een verlammende paniek maakte zich van me meester, temeer daar ik besefte dat ik Sander niet alleen niet kon redden, maar dat ook niet durfde, vanwege de muziek en de duisternis.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten