28 mei 2012
Spoorbloem
Samen met Sander maak ik een wandeling langs de spoorweg in Nijmegen. Ik pluk een boeket bloemen (en erwtenplanten) voor mijn ouders. Sander zegt dat het niet kan maar ik wil het per sé en ze zijn zo mooi, maar elke bloem die ik verzamel blijk ik van iemands graf te plukken.
27 mei 2012
VENUS
In de bus
was ineens een groep soldaten komen staan. Hun harde petten glimmen en zijn
versierd met een soort embleem. Hun jasjes zijn zwart met rood en twee rijen
gouden knopen. Hun huid is bruin en hun wenkbrauwen staan kwaad omlaag. Ik heb
me tegen deze mensen, en de hele oorlog verzet, maar nu ben ik er zo moe van.
Eén van de soldaten richt zijn geweer op me en houdt me een grijsbruine pil
voor met een kruis erin. Ik stop hem –bijna gedwee- in mijn mond en voel
bittere kruimels op mijn tong terwijl de pil langzaam brokkelt in mijn mond. Ik
verwacht dat hij in een baal schuim op zal zwellen en ik zal stikken, maar het
blijft uit. Ik slik wat kruimels door. Hierop zal in elk geval rust volgen, als
het dan toch geen vrede kan zijn. Ik kijk om me heen. Buiten is het mooi weer.
Ineens het besef dat niemand oplet of ik het hele ding wel doorslik. Ik haal
wat er van de pil over is uit mijn mond.
Mijn hart hamert. Straks –want niet nu- ga ik dood. Wanneer? Hoe? Zijn de
andere passagiers, bij wie ze hetzelfde deden, al dood? Ik loop uit de bus.
Dead girl walking. Ik denk dat de soldaten op straat me niks doen omdat ik een
speldje op heb gekregen. Er is een hele variatie. Die van mij is in de vorm van
een schild, links zwart, rechts wit. Op het zwarte deel staat een wit, op het
witte deel een zwart zeepaardje. Ik bekijk de speld met iemand die ook niet
weet of het de speld is die betekent ‘je gaat onmiddellijk dood,’ of de speld
die op een manier bescherming kan betekenen. Zou er een speld zijn die betekent
dat ze je om wat voor reden dan ook sparen? De lentebries is zo overweldigend
heerlijk ineens, omdat ik leef. Een wanhopige levenslust borrelt in me op, het
zeker weten dat ik doodging zorgt nu voor een stoot adrenaline, gemengd met
doodsangst. De kans is groot dat ik een tijdbom ben. Ik heb die halve pil
opgegeten. Hoe zal het gebeuren dan? Ga ik dood zonder dat ik het merk? Zal
mijn hoofd zo zwaar worden dat ik om zal vallen en zal de grond dan op een baal
watten lijken? Of zal ik stikken en huilen? Ik loop helemaal alleen door de
stad. De blaadjes aan de bomen geven mijn wil om te leven iets strijdlustigs.
Ik denk aan het meisje in de film vorig jaar. De interviewer vroeg haar wat
haar er uiteindelijk van weerhouden had zelfmoord te plegen. Ze bleef lang stil
en zei toen ‘birds.’ Hierop welden tranen op in haar ogen.
Wat moet ik doen. Afscheid nemen. Mijn ouders bellen? Bellen, hoe kan ik ze nou aan de telefoon zeggen dat ik doodga. En ophangen. Wat zijn ze ver weg. Waar is Sander? Ik ga harder lopen want ik moet Sander vinden. Ik kan niet doodgaan zonder hem nog één keer te zien.
Als ik hem heb gevonden komt er een soort van kalmte over me. Ik heb mijn lief gevonden. Ik zou hem nog graag eens zien lachen. Het verbaast me hoe duidelijk en compleet mijn leven ineens is. Mooie blaadjes aan de bomen, de lach van mijn Sander. Ik wil me alleen nog fijn voelen. En de mooie dingen bruisen.
We komen aan bij een plek waar veel bussen en trams rijden. Mijn hart, dat al die tijd verwoed is blijven timmeren, verhoogt haar tempo als ik een tram zie met een soort felle kleuren. Zou het, dat als we in deze tram stappen, we overleven? Kan dat? Is er een bizarre spelonk waar we nog door kunnen ontsnappen? Maar wat voor pinnetjes zijn er op de tram? Als er soldaten in staan zoals bij de vorige, is het afgelopen. We moeten een bus vinden, ineens weet ik het zeker. De bussen met ‘VENUS’ erop. Venus móét een vredig dorp betekenen. Bovendien moeten we hier zo snel mogelijk weg.
Met Sander stap ik uit de bus en we zijn afgezet bij een aantal flatgebouwen. De sfeer is geladen, iedereen voelt het levensgevaar. Mijn intuïtie leidt me naar een groot gebouw met een lage, vierkante doorgang waarboven aan de muur speldjes zijn geschilderd. Erboven staat in sierlijke letters ‘deze speldjes zijn hier welkom voor toevlucht.’ Wat heeft dit dorp zich goed georganiseerd sinds de oorlog uitbrak. Hier zal voor ons gezorgd worden, misschien kunnen ze me zelfs van mijn vervloekte speld of mijn vervloekte pil ontdoen. Ik kijk naar de twee rijen speldjes. Kleurig en enkele malen vergroot hangen ze boven mijn hoofd. Mijn zeepaarden zijn er ook bij. Ook groene speldjes en rood-gele. De veiligheid die ik zoëven voelde zakt omlaag. Ik heb een sterk vermoeden. Als mijn speldje betekent dat ik misschien doodga en misschien overleef, en er zijn zoveel speldjes, is er dan geen kans dat één van die speldjes betekent dat de drager ervan, bij het zien van de zeepaardenspeld, onmiddellijk degene met de zeepaardspeld moet vermoorden? Is dit de weg die ik van de speld af heb moeten leggen? Wat is er in dat gebouw? Mijn redding of mijn geplande dood? Ik ben bang, op een hele doffe manier. Geen monsters in mijn hoofd dit keer, maar groepen soldaten die op onverwachte plekken in grote vierkanten staan, met precies evenveel ruimte tussen elkaar. Als ik nu wakker word zal elke seconde van mijn leven me als goud toeschijnen.
Wat moet ik doen. Afscheid nemen. Mijn ouders bellen? Bellen, hoe kan ik ze nou aan de telefoon zeggen dat ik doodga. En ophangen. Wat zijn ze ver weg. Waar is Sander? Ik ga harder lopen want ik moet Sander vinden. Ik kan niet doodgaan zonder hem nog één keer te zien.
Als ik hem heb gevonden komt er een soort van kalmte over me. Ik heb mijn lief gevonden. Ik zou hem nog graag eens zien lachen. Het verbaast me hoe duidelijk en compleet mijn leven ineens is. Mooie blaadjes aan de bomen, de lach van mijn Sander. Ik wil me alleen nog fijn voelen. En de mooie dingen bruisen.
We komen aan bij een plek waar veel bussen en trams rijden. Mijn hart, dat al die tijd verwoed is blijven timmeren, verhoogt haar tempo als ik een tram zie met een soort felle kleuren. Zou het, dat als we in deze tram stappen, we overleven? Kan dat? Is er een bizarre spelonk waar we nog door kunnen ontsnappen? Maar wat voor pinnetjes zijn er op de tram? Als er soldaten in staan zoals bij de vorige, is het afgelopen. We moeten een bus vinden, ineens weet ik het zeker. De bussen met ‘VENUS’ erop. Venus móét een vredig dorp betekenen. Bovendien moeten we hier zo snel mogelijk weg.
Met Sander stap ik uit de bus en we zijn afgezet bij een aantal flatgebouwen. De sfeer is geladen, iedereen voelt het levensgevaar. Mijn intuïtie leidt me naar een groot gebouw met een lage, vierkante doorgang waarboven aan de muur speldjes zijn geschilderd. Erboven staat in sierlijke letters ‘deze speldjes zijn hier welkom voor toevlucht.’ Wat heeft dit dorp zich goed georganiseerd sinds de oorlog uitbrak. Hier zal voor ons gezorgd worden, misschien kunnen ze me zelfs van mijn vervloekte speld of mijn vervloekte pil ontdoen. Ik kijk naar de twee rijen speldjes. Kleurig en enkele malen vergroot hangen ze boven mijn hoofd. Mijn zeepaarden zijn er ook bij. Ook groene speldjes en rood-gele. De veiligheid die ik zoëven voelde zakt omlaag. Ik heb een sterk vermoeden. Als mijn speldje betekent dat ik misschien doodga en misschien overleef, en er zijn zoveel speldjes, is er dan geen kans dat één van die speldjes betekent dat de drager ervan, bij het zien van de zeepaardenspeld, onmiddellijk degene met de zeepaardspeld moet vermoorden? Is dit de weg die ik van de speld af heb moeten leggen? Wat is er in dat gebouw? Mijn redding of mijn geplande dood? Ik ben bang, op een hele doffe manier. Geen monsters in mijn hoofd dit keer, maar groepen soldaten die op onverwachte plekken in grote vierkanten staan, met precies evenveel ruimte tussen elkaar. Als ik nu wakker word zal elke seconde van mijn leven me als goud toeschijnen.
8 mei 2012
Tonio
Straks ga ik naar het voortgangsgesprek met de Fiep Westendorp Foundation. Daarvoor moet ik over het kruispunt Hobbemakade-Stadhouderskade fietsen. Verder kwam ik gister op weg naar Hans Anders, waar mijn bril op me lag te wachten, langs de Dixons op de Kinkerstraat. Ik woon tijdelijk in de buurt van de Nassaukade. Vroeger woonde ik in de buurt van de Sint Annastraat in Nijmegen. Hij is zo dichtbij en ook dood.
Abonneren op:
Reacties (Atom)