19 juli 2010

Straks ga ik naar Venetië en dit is wat ik droomde voor ik ging, en ik moest het snel opschrijven voor ik het vergat en daarom is het raar geschreven.

groot huis
rare meisjes
datingprogramma met een vieze enge jongen die zijn piemel laat zien
het is een washandje aan een touwtje om zijn middel en er hangt een zwart draadje aan en dat is hem.
blond meisje flirt teveel
grasveldje/berm bij water, blond meisje ineens zwart haar, voor de camera neuken met piemeldraadjejongen
overal rare witte crème, waarom doet ze zo enthousiast, waarom heeft ze die crème overal op gedaan, waarom beweegt ze zo terwijl hij allang weg is?
spelcomputers, als één niet meer wil gaat de ander verder, lena wint, 1 miljoeneuro,iedereeen die op die pc zat is boos. Vooral Pim, die Lena liet spelen omdat hij moe was.
ik zeg iets en iedereen vindt dat heel dom.
maar later heb ik toch gelijk.
want het lag niet aan de computers, het was een kansspel.

ik zie een vrouw rondjes rijden in een auto overt een parkeerterrein, iets met een bekende acteur. ik weet dat ze aan het eind van de dag zal winnen en denk na over de toekomst. En waarom ik die weet. dus ga ik bij haar in de auto ziten.

iets met het christendom. door een antwoord dat beter is dan de antwoorden in de bijbel, trekt mijn moeder de geschiedenis recht. met een hele grote band trekt ze europa weg.
ze belt oma en zegt 'nederland zit nu waar marokko ooit was.' oma zegt: echt waar?! mijn moeder zegt 'ja!' oma vraagt waar lag het eerst dan? mampje zegt 'waar nu die en die zee is.' oma vindt het onvoorstelbaar. dit is het nu, lijkt de toekomst, en ontzettend vroeger was maar een seconde geleden. toch zijn wij de enige die het weten, want wij hebben de tijd zien veranderen.
mijn moeder probeert met de band en de toetsingsvragen over religie, ver onderaan de aarde, ook het jodendom weg te vagen. Maar de mythologie blijkt correct, en het jodendom is onwrikbaar. het jodendom: een meer in een bos. De bomen waar de band omheen zit is smaragdgroen, en glimt. Soms staat er ergens opdruk op. Er zijn ook standbeelden en tronen. er zitten oude mens-gier-achtige wezens. zoals een rechter uit zo'n tekenfilm. Die hebben het hier en altijd voor het zeggen.
ineens heerst het jodendom. Dat is altijd zo geweest.

ik dwaal af naar een struikgebiedje verderop. Sven en Lena zijn er ook, en meer van die mensen.
In de struiken zit de jongen aan wie ik de grootste hekel heb. Hij is dankbaar dat ik de eerste stap heb gezet zegt hij, en aan bepaalde bruine vloeistof die over hem loopt kun je zien dat de haat tussen ons weg is. Toch blijf ik liever uit zijn buurt. Hij heeft een vriend, die heet Gijs, zegt de jongen, maar soms ook Mosterd. Dat hangt af van zijn persoonlijkheid op dat moment. De jongen is hoogblond, gekleed in lichte, te grote geruite bloes, veel te normaal kort haar en een labiele en schuchtere uitstraling. De naam 'Gijs Mosterd' doet bij mij een bel rinkelen. Ik loop naast Gijs, en zeg 'ik heet ook Mosterd!' achterom naar Sven en Lena roep ik: 'hoe heet ik verder ook alweer?' "Maria!' klinkt het antwoord. Maria Mosterd, dat klinkt inderdaad bekend.

Intussen lopen we in paren achter elkaar, steeds meer, zie ik, en dan komen we bij het heilige meer.
Het is eerder een plas, trouwens, al met al is de doorsnede denk ik nog geen tien meter.
We lopen heel traag langs de plas. Iedereen lijkt een plaats in te nemen langs het heilige joodse water, en dan besef ik dat we een eeuwenoude mythologie naspelen.
De mensen staan stil, bewegen hun armen in een bepaalde positie, alsof we het laatste avondmaal parodiëren. De meeste mensen kijken naar mij. Omdat ik Maria ben, en de hoofdrol heb gespeeld in dit scenario.
Ik weet, zoals iedereen hier dat weet, dat iedereen dood zal gaan behalve ik. Door iets wat ik doe, maar ik herinner me niet wat. Verder weet iedereen het nog; de joodse mythologie ligt hen blijkbaar nog vers in het geheugen- terwijl het, zou je zeggen, toch heul lang geleden is.

Ik weet niet wat Maria deed op deze betreffende gedoemde dag. Raakte ze het water aan of juist niet? Danste ze? Dronk ze anders? Stond ze stil, terwijl iedereen bewoog? Iedereen is bezig met wat hij -of zijn personage- destijds deed. Ik zak aarzelend op mijn hurken en plaats mijn handen voorzichtig op de bakstenen rand. Die is van zachte klei. Waarom ook, zou klei hard zijn, als dit het begin is van alles? Maar het voelt niet goed, mijn handen horen hier niet. Ik kom weer overeind.
Gijs kijkt me indringend aan: hij wil dat ik mijn rol vervul. Anders zal alles tenonder gaan.
Er staat een dood paard naast me. Zijn aanwezigheid is zoals die van het onzedelijke incident in Die Blechtrommel: hard in woorden, onopvallend in beeld.
Zijn oogkassen zijn groot en hol. Hij zit vol modder. Zijn manen steken roodachtig af bij zijn grijze, kleffe huid. Ik woel hem een beetje meelijdend door zijn manen. Het haar is stug. Ik voel zijn te warme, vloeibare huid bij de haarwortels, het paard gaat me in de vingers zitten. Ik ben bang, maar ik voel een onbeheersbare genegenheid voor hem. Hij beweegt langzaam, aanhalig met zijn hoofd tegen mijn handen. Hij is klein en heeft geen achterlijf. Dan kijk ik naar het water; nauwelijks seconden zijn er voorbijgegaan.
Ik Was Me. Ik hoop zo dat dit de mythologie is, van de joden. Ik hoop zo dat Maria zich ritueel waste in dit heldere water, haar voeten eerst, haar handen stiekem. Het voelt weldadig, maar is weldadig wel wat je moet voelen als je eeuwenoude geschiedenis schrijft?
Iedereen zwijgt.
Dan komen er drie reusachtige dode paarden uit het water.
Ze lopen richting mij, want iedereen zal immers doodgaan. Ze vertrappen de mensen. Alles gaat langzaam, en, opvallender: geluidloos.
In mijn hoofd klinkt een narratief: "Maria stierf ook. Het voorste paard stapte op haar terwijl hij naar de kant liep,en brak haar nek." Terwijl de stem klinkt voel ik dat het waar is. Mijn nek breekt zo boterzacht dat ik er misselijk van word.

Als iedereen dood is, kijk ik de paarden aan. Ze staan rustig aan de kant, achter me. Zwarte modder zit droog en bladderig om hun verschijning. Hun oogloze hoofden zijn nog groter en leger dan ik eerder zag. Het paard zegt tegen me, met een vermoeide stem die een beetje klinkt als Douglas Adams die Marvins stem voorleest: "do you know why, we didn't kill you?" Ik weet dat niet.
Het paard draait zijn gezicht naar me toe. Zijn kassen zijn zo eindeloos treurig. "You stroked my mawnes." Ik weet dat hij met 'mawnes' manen bedoelt, want ik heb niet in de gaten dat hij blijkbaar engels praat.
Maria was de enige die sympathie had voor het levenloze paard, en zo redde zij de mythe, en daarmee het jodendom.

De gierachtige rechters leggen vast wie van dit alles getuige was, voor in het nieuwe Joodse Testament. Het onderdeurtje wil er zo graag meer aandeel in dan hij werkelijk heeft gehad, dat hij de hand van de hoogste baas afhakt. In de mouw van diens overhemd zit niets, geen pols, geen bloed. Wel een rood schijnsel. Ik zit op een hoog houten ding dat op een ereboog (erehaag?) lijkt. Die is professioneel bewerkt, heel hoog, en staat temidden van twee iets kleinere bogen, waar mijn vrienden op zitten. Ik probeer naar beneden te klimmen via de kleinere boog rechts van mij, want terwijl de rechter tegen me spreekt word ik draaierig in mijn maag van die bizarre diepte.En ik moet hem iets belangrijks vertellen.

14 juli 2010

Hij slaapt met een kussen op zijn hoofd.

ik ben nu echt ontwaakt uit mijn na-het-eten-dutje. Ik was te dood om wakker te zijn en nu ben ik te wakker om dood te zijn. Ik droomde gewoon serieus, dat ik een soort knuffelpaard (met één hoorn) had gevonden waar ik op kon zitten, en ook RIJDEN. Het was heel logisch dat je door op verschillende plekken op zijn keel te duwen, vooruit, links- of rechtsaf, of nergens naartoe kon.
Dat was écht een sof met wakker worden. Op het laatst bleek hij ook nog ontworpen door Elizabeth McGrath. En toen was hij ook nog maar 125 euro. Maar ik vroeg aan hem of ik hem mocht kopen en hij zei dat hij nog even vrij wilde zijn.
Sander ligt achter me.

5 juli 2010

It appears this is my first entry in two years.

Taam: "Vooral dat grijze pak zou ik altijd als ik bíjna verdrietig wordt aan doen, en dan ben ik denk ik nooit meer verdrietig."

Sander: "Je moet voortaan voor je portretwerk de foto's zelf maken, zodat de hoofden er niet zo statisch op staan."

Herma: "Nouja ik ben toch altijd wel van eh, nouja, ik zeg het maar gewoon, ik ben toch altijd wel van Leuk! :( "

Sander: "Je bent zo mooi knoestig."

Herma: "Plakknipbreipunnik."

Gisteravond: Als iedereen net als Klaas-Harm zou heten zoals zijn vader en opa (of moeder en oma):
Sam en ik: Hend-Wil / Bruur-Wil / Piet-Wil / Tineke-Annemarie
Merlijn: Jim-Frank
Sander: Ton-Ton

En Sander en ik zwommen twee keer helemaal op en neer over een heel meer. En ik kan niet zo heel erg goed zwemmen en soms klotste er water in mijn opengesperde mond heen en weer en dat smaakte ook naar meer.

En dit zegt Taam ook: "No, it's not all right. Something makes me hate everything. Everything. That's what I like about you, Tony. You never try to explain things."
Ze citeert, maar ik weet niet waaruit. Maar ik kijk veelbetekenend naar iemand.

Tot slot: sekskartelblad.

1 juli 2010

ORIGAMI


... En het heule proces!
De afgelopen negen dagen gewerkt aan een opdracht die ik al een jaar had, maar nu dan eindelijk Tijd, en vooral: een Deadline. En eindelijk gekozen uit alle foto's.
Zo begon het allemaal.

Werken in Nijmegen: veel ruimte, héle lieve ouders die me kersen en spaghetti geven en een keukentrapje dat precies hoog genoeg is.


Werken in Utrecht bij Sander: Sander! En schoon ondergoed!! En, is dat zwéét op mijn hemdje? Het kan ook water zijn dat ik, daar bij Anne & Marloes op zolder, met enige regelmaat over mezelf heen placht te gooien en dan zo in leven te blijven. Ik ga voor antwoord B denk ik dan maar.

Vraag: is dat niet veel gesjouw, zo met dat doek en die verf en die laptop tussen Utrecht en Nijmegen de hele tijd?
Antwoord: ja, dat is veel gesjouw zo met dat doek en die verf en die laptop tussen Utrecht en Nijmegen de hele tijd.

Tijmen verven:



Kiki verven:



Dit was een losse greep uit ruwweg tachtig (negenenzeventig) zoek-de-verschillen-foto's die ik tijdens het schilderen gebruik om zoals je al vermoedde verschillen te zoeken.

Hier was Tijmens origamivogeltje nog Pikachu- een geniaal idee van Anne. (Maar Pikachu was te geel, voor iets met ook al rood en blauw, vond ik, dus werd hij een koikarper.) Ik had het kunnen weten trouwens, aan een Anne vragende wat japans genoeg voor op mijn doek is.
O ja! Het Japan-thema komt omdat ze in dat gezin allemaal van Japan houden! Tijmen is er net heel lang geweest. Kiki niet, daarom heb ik haar groter gemaakt, zodat het thema dan wel iets meer van Tijmen is, maar je dan ter compensatie wel eerst naar Kiki kijkt. En haar beter ziet als je je bril niet op hebt.

Overigens had ik dit alles niet eens uit hoeven leggen, want ik had volle artistieke vrijheid, met als ENIGE restrictie dat de beide kinders geschilderd werden. Hilarische brainstorms volgden.





Trivia-bonus voordat we naar bed gaan: nimmer heb ik een schilderij in affe toestand zó kort in mijn bezit gehad voor ik het afleverde bij de opdrachtgever. Het ging zo: OK. IK DOE HET GEWOON. HET IS AF EN IK BRENG HET WEG. (Mijn hart fladderde, terwijl ik nog wel expres geen koffie op had vandaag, dus zei ik tegen mezelf 'shhhh, komt goed. je kan er nou toch niets meer aan doen, en mensen zien hun kinderen altijd graag.') klik klik fotootjes en met het doek naar de buren gelopen.

En nu wordt het hoog tijd om heel. erg. veel. slaap in te halen.


Good night and good luck!
Related Posts Plugin for WordPress, Blogger...